Direct ingaandUitgestelde koopsomOfferte aanvragenOverige informatiewie zijn wijcontact

Gouden handdruk

Gouden handdruk Algemeen
Indien de relatie werkgever-werknemer wordt verbroken, kunnen zich omstandigheden voordoen waardoor de werkgever – al dan niet om morele redenen – gehouden is om aan de werknemer ter zake van zijn ontslag een éénmalige uitkering toe te kennen. De hoogte van de uitkering is niet door middel van een simpele rekensom te berekenen. Dit wordt namelijk bepaald door een groot aantal factoren. Wij noemen onder andere de leeftijd van de betrokken werknemer, het salaris van de betrokken werknemer, de totale duur van het dienstverband en de herplaatsingskans.

In ieder geval zal aan de hand van de concrete situatie in onderling overleg of door tussenkomst van de kantonrechter de hoogte van de gouden handdruk bepaald moeten worden. Indien er onderhandeld wordt over de hoogte van de gouden handdruk verdient het aanbeveling voor de werknemer én de werkgever om zich bij te laten staan door deskundigen op dit gebied.

Uitkering in verband met de beëindiging van het dienstverband (gouden handdruk)
De uitkering zal veelal genoten kunnen worden in de vorm van een éénmalig bedrag dan wel in de vorm van een aanspraak op periodieke uitkeringen (stamrecht). Een combinatie van beide mogelijkheden is uiteraard ook mogelijk. Indien er een keuze is omtrent de vorm waarin de gouden handdruk kan worden ontvangen, is het van groot belang om een zorgvuldige afweging te maken omdat de uitkering meestal dient ter aanvulling van het inkomen in de komende jaren. In dit document komt een aantal aspecten die bij deze keuze van belang zijn aan bod.

Heffing van loonbelasting/inkomstenbelasting
Er worden in de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de wet) twee vrijstellingen genoemd: - een uitkering of verstrekking die éénmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar
- een uitkering of verstrekking die wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar. Beide vrijstellingen bedragen maximaal één maandloon. Onder bovengenoemde voorwaarden kan derhalve een deel van de gouden handdruk op basis van de wet belastingvrij worden genoten.

Schadevergoeding voor immateriële schade kan onbelast worden ontvangen. Zowel de hierboven genoemde vrijstellingen als de ontvangen schadevergoeding voor immateriële schade, blijven in het vervolg van dit document verder buiten behandeling.
De fiscale behandeling van de gouden handdruk is afhankelijk van de gekozen vorm van de uitkering. Bij een éénmalig bedrag is er direct, tegen progressief tarief in box 1, belasting en premies volksverzekeringen over de uitkering verschuldigd. Wordt er in plaats van een éénmalig bedrag een aanspraak op periodieke uitkeringen ontvangen, dan is er pas belasting verschuldigd op het moment dat deze periodieke uitkeringen daadwerkelijk worden ontvangen. Deze uitkeringen vallen onder het progressieve tarief van box 1.

Voor 2007 houdt dit het volgende in:
belastbare som (=inclusief overige inkomsten) tot € 17.319 33,65%
- over het meerdere tot een belastbare som van € 31.122 41,40%
- over het meerdere tot een belastbare som van € 53.064 42,00%
- over het meerdere 52,00%

Bij periodieke uitkeringen dient elke uitgekeerde termijn bij het – waarschijnlijk lagere – toekomstige inkomen over meerdere jaren te worden geteld. Immers, de uitkering dient veelal ter aanvulling van het inkomen in een periode waarin het inkomen lager zal uitvallen. Hierdoor kan door het bedingen van een periodieke uitkering vaak een progressievoordeel worden behaald.

Bij de keuze voor een stamrecht zullen geen premies WW, WIA en premies Zorgverzekeringwet (Zvw) verschuldigd zijn. Wordt gekozen voor een éénmalige uitkering dan zal deze wél meetellen als bijdrage-inkomen voor de Zvw waarover de inkomensafhankelijke bijdrage wordt berekend. Ook kan premieheffing voor de werknemersverzekeringen (WW, WIA) aan de orde zijn.

VUT-strafheffing per 1 januari 2006
Sinds 1 januari 2006 kan er bij toekenning van een gouden handdruk een strafheffing worden opgelegd. Deze strafheffing is aan de orde als er sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding. Door de inwerkingtreding van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling, de Wet VPL, is het – behoudens gevallen van overgangsrecht – niet langer mogelijk om fiscaal gefacilieerd een VUT- of prepensioenregeling in het leven te roepen. Door in plaats van een VUT- of prepensioenregeling een gouden handdruk(stamrecht) toe te kennen, is echter hetzelfde resultaat bereikbaar. Om deze achterdeur dicht te houden, is de strafheffing van artikel 32aa, Wet op de loonbelasting 1964, geïntroduceerd. Als een werkgever aan één of meerdere werknemers een vermomde VUT- of prepensioenregeling aanbiedt in de vorm van een gouden handdruk(stamrecht) is de werkgever een strafheffing verschuldigd van 26% van het bedrag van de ontslagvergoeding, respectievelijk de koopsom voor het gouden handdrukstamrecht. Per 1 januari 2011 bedraagt deze strafheffing zelfs 52%. Niet ieder(e) gouden handdruk(stamrecht) is echter een regeling voor vervroegde uittreding. Het ministerie van Financiën heeft in twee besluiten het begrip 'regeling voor vervroegde uittreding', afgekort als RVU, gedefinieerd.

Wettelijke voorwaarden
De wettelijke voorwaarden die worden gesteld aan een gouden handdruk zijn de volgende:
1. het stamrecht mag voorzien in uitgestelde periodieke uitkeringen, met dien verstande dat de stamrechttermijnen niet later mogen ingaan dan in het jaar waarin de werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt
2. na overlijden van de werknemer mogen de stamrechttermijnen slechts toekomen aan diens (ex-) echtgenoot, partner met wie de werknemer een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, (pleeg-/stief-)kinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt
3. als verzekeraar mogen optreden professionele verzekeraars, pensioenfondsen, ieder ander lichaam dat in Nederland is gevestigd en de verplichting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen alsmede de natuurlijke persoon tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of heeft gestaan
4. de uitkeringen uit het stamrecht moeten een bepaalde onzekerheid in zich dragen, die afhankelijk is van de overlijdenskans van de verzekerde. Deze overlijdenskans is gesteld op ongeveer 1%. Concreet gezegd komt deze eis er op neer dat de periode waarin de stamrechttermijnen tot uitkering komen een zodanige duur moet hebben, dat de kans dat de verzekerde binnen die periode komt te overlijden minstens 1% bedraagt (het zogenaamde sterftekanscriterium).

Overgangsregeling voor stamrechten
Voor op 31 december 1994 bestaande stamrechten, die nadien niet meer zijn gewijzigd*, is een (beperkte) overgangsregeling in de wet opgenomen. Op deze stamrechten zijn de hiervoor onder 1. en 2. gestelde voorwaarden niet van toepassing. Wellicht ten overvloede zij vermeld dat het hieronder behandelde regime van belastingheffing bij 'verboden handelingen' onverkort van toepassing is op deze 'oud-regime'- stamrechten.
*) Onder wijziging wordt ook begrepen het veranderen van verzekeraar.

Verboden handelingen
Indien er sprake is van handelingen die in strijd zijn met de hiervoor geschetste wettelijke bepalingen, wordt de aanspraak op een gouden handdrukstamrecht alsnog aangemerkt als loon. De belastingheffing vindt dan plaats tegen het progressieve tarief in box I. Tevens is met ingang van 1 maart 2004 revisierente verschuldigd over de afkoopwaarde. Verboden handelingen zijn:
- de stamrechtaanspraak wordt afgekocht, vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid.
- de in eigen beheer gehouden aanspraak wordt prijsgegeven (men spreekt ook wel van 'afzien van'). Zijn er 'dwingende maatschappelijke redenen' zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij faillissement, surséance van betaling en schuldsanering, dan vindt deze heffing over de aanspraak niet plaats indien en voorzover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is.
- het stamrecht is ondergebracht bij een stamrecht-BV en de (ex-) werknemer gaat emigreren. In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geldt bij of na emigratie van de (ex-) werknemer voor de stamrecht BV's een belastingheffing van 52% van de waarde van de betreffende aanspraak. Deze 52%-heffing wordt opgeteld bij de vennootschapsbelasting die over dat kalenderjaar is verschuldigd. De bestuurders van een stamrecht-BV zijn in beginsel aansprakelijk zijn voor de door dat lichaam verschuldigde 52%-heffing indien deze heffing niet is in te vorderen bij de stamrecht-BV.

Sociaalrechtelijke aspecten
In het geval dat er niet direct vervangend werk kan worden gevonden na het ontslag komt men, onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor een sociale uitkering uit hoofde van de Werkeloosheidwet (WW), de Toeslagenwet (TW), de Wet inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW ), of de Wet Werk en Bijstand (WWB).

Korting uitkering in verband met uitkering uit gouden handdruk?
In bepaalde gevallen kan het genieten van een éénmalig bedrag dan wel een recht op periodieke uitkeringen (stamrecht) tot gevolg hebben dat een uitkering krachtens een sociale verzekeringswet wordt verlaagd.

WW
Bij een uitkering uit hoofde van de WW is er vooralsnog geen sprake van korting. Dit geldt zowel voor een éénmalig bedrag als voor een stamrecht. Een arbeidsovereenkomst kan door opzegging worden beëindigd of door de rechter worden ontbonden. In het laatste geval geldt er geen opzegtermijn. Als een arbeidsovereenkomst door opzegging wordt beëindigd moet er een wettelijke opzegtermijn in acht worden genomen. De wettelijke opzegtermijn bedraagt bij een dienstverband van:
- minder dan vijf jaar : een maand
- vijf tot tien jaar : twee maanden
- tien tot vijftien jaar : drie maanden
- vijftien jaar of langer : vier maanden

Indien het dienstverband echter zonder opzegtermijn is beëindigd (bij ontbinding door een rechter) en er recht is op inkomsten in verband met deze beëindiging (gouden handdruk), dan worden deze inkomsten als loon aangemerkt over de niet in acht genomen opzegtermijn. Het recht op een WW-uitkering ontstaat hierdoor doorgaans pas na afloop van de zogenaamde fictieve opzegtermijn. Een fictieve opzegtermijn duurt maximaal de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn volgens de wet. De fictieve opzegtermijn bedraagt echter niet minder dan een maand. Wanneer er geen gouden handdruk wordt ontvangen, bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst door een rechter, wordt het recht op een WW-uitkering niet opgeschort tot na de fictieve opzegtermijn.
IOAW en TW
Op basis van reeds lang bestaand beleid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft de praktijk steeds aangenomen dat een korting op de Toeslagenwet en de IOAW achterwege blijft, indien de werknemer de vrije keuze heeft gehad tussen het ontvangen van de ontslagvergoeding in een bedrag ineens of in de vorm van een stamrecht.
In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uit april 2005 wordt aan die 'vrije keuze' voorbijgegaan en wordt de inkorting gewoon toegepast

Aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn in verband met deze uitspraak van de CRvB vragen gesteld. De staatssecretaris heeft aangegeven dat er een nieuw Algemeen Inkomensbesluit in de maak is waarin ook de uitspraak van de CRvB zal worden betrokken. De staatssecretaris gaf aan dat bij een eventuele wijziging van het gevoerde beleid ook aandacht zal worden besteed aan de overgangsproblematiek voor bestaande situaties.
In ieder geval zullen de gemeenten hun tot de uitspraak gevoerd beleid ongewijzigd voortzetten tot de inwerkingtreding van het Algemene Inkomensbesluit.

AOW
Na het bereiken van de 65-jarige leeftijd krijgt men een uitkering uit hoofde van de AOW, eventueel aangevuld met pensioen. De AOW zelf wordt nooit gekort. Als de AOW-gerechtigde een partner heeft die jonger is dan 65 jaar, heeft de AOW-gerechtigde recht op de zogenaamde AOW-toeslag. Deze AOW-toeslag is afhankelijk van het inkomen van de jongere partner. In beginsel zullen de termijnen uit een gouden handdrukstamrecht van die jongere partner in mindering kunnen komen op de AOW-toeslag van de AOW-gerechtigde. Deze korting blijft achterwege indien aangetoond kan worden dat er sprake is van een vrije keuze in de besteding van de gouden handdruk. Ontvangt de AOW-gerechtigde zelf termijnen uit een gouden handdrukstamrecht of ontvangt de jongere partner termijnen uit een gouden handdrukstamrecht in de hoedanigheid van nabestaande, dan vindt er geen enkele korting plaats op de AOW-toeslag.

WWB
Bij het toekennen van een uitkering krachtens de WWB zal – behoudens een kleine vrijstelling – iedere vorm van vermogen en inkomen in mindering worden gebracht op de uitkering. Aan korting is in de meeste gevallen dan ook niet te ontkomen.

Wat kan de werkgever doen?
Als er met de werkgever is overeengekomen dat de gouden handdruk geheel of gedeeltelijk de vorm van een stamrecht zal hebben, kan de feitelijke uitvoering als volgt plaatsvinden. De werkgever stort de koopsom voor het stamrecht bij Nationale-Nederlanden. De polis wordt vervolgens opgemaakt met de werknemer als verzekeringnemer. De werkgever moet in geen geval het bedrag van de gouden handdruk op rekening van de werknemer storten waarna deze de koopsom 'doorstort' naar Nationale-Nederlanden. In dat geval is het gouden handdrukstamrecht niet op juiste wijze tot stand gekomen en dient er over het gehele bedrag van de gouden handdruk bij toekenning belasting te worden betaald.

Berekeningsmethoden van een gouden handdruk

Inleiding
De aanleidingen, welke tot de toekenning van een zogenaamde gouden handdruk kunnen leiden, zijn velerlei. Zo kan bijvoorbeeld een bepaalde taak tot een (goed) einde zijn gebracht, men kan op het punt staan de onderneming te herstructureren, een bedrijf kan door een ander bedrijf zijn overgenomen of de arbeidsverhouding kan door onenigheid zijn verstoord. In dergelijke gevallen treden de partijen bij de arbeidsovereenkomst meestal in overleg onder welke voorwaarden – meestal van financiële aard – men uit elkaar zal gaan, indien althans het arbeidscontract daarin niet voorziet. Het gaat er dan met name om wat – lees hoeveel – de werknemer weet te bedingen van zijn wederpartij in verband met het wegvallen van de arbeidsbeloning door het einde van het dienstverband. Enerzijds kan zo'n vergoeding een werkelijke substantiële schadeloosstelling beogen te zijn, anderzijds kan er ook behoefte bestaan aan een soort aanvulling op de pensioenregeling van de werknemer. Het komt namelijk nogal eens voor dat bij tussentijds ontslag het pensioen 'inzakt' tot een beduidend lager niveau dan bij onveranderde voortzetting het geval zou zijn geweest. Het enkele feit dat men (veel) minder dienstjaren maakt kan hiervoor reeds een belangrijke factor zijn.

Naast het pensioenverlies is het aantal dienstjaren ook een factor bij de bepaling van de hoogte van de gouden handdruk. Een vaste formule voor de bepaling van de hoogte is niet te geven. Ook in de arbeidswetgeving worden geen vaste rekenregels voorgeschreven. Veelal is een gouden handdruk een resultaat van onderhandelingen. Als richtlijn voor die onderhandelingen wordt vaak gebruikt gemaakt van de zogenoemde kantonrechtersformule.

De kantonrechtersformule
De kantonrechtersformule is min of meer een onderlinge afspraak tussen de kantonrechters in Nederland om de hoogte van de ontslagvergoedingen die toegekend worden in kantonrechterprocedures te standaardiseren. Vaak wordt deze formule ook als richtlijn gehanteerd bij onderhandelingen over de hoogte van de gouden handdruk bij ontbindingen in onderling overleg.
De formule luidt:
De vergoeding = A x B x C
waarbij:
A = het aantal gewogen dienstjaren
B = de beloning
C = de correctiefactor

De A in de formule
Bij de bepaling van het aantal gewogen dienstjaren wordt rekening gehouden met de leeftijd van de betrokkene. Veelal wordt de diensttijd afgerond op hele jaren, maar er kan ook van de feitelijke volledige diensttijd worden uitgegaan. De dienstjaren worden op de volgende wijze gewogen:
- voor leeftijd 40 factor 1
- van leeftijd 40 tot leeftijd 50 factor 1,5
- vanaf leeftijd 50 factor 2

Soms wordt op grond van bijzondere omstandigheden bij de bepaling van de gewogen diensttijd van deze leeftijdsfactoren afgeweken. Voorbeelden hiervan zijn een lange arbeidsongeschiktheid of anderszins niet werken, een onderbroken dienstverband, voortzetting van een dienstverband na een eerdere ontbinding met eventueel een eerdere schadeloosstelling en een kort dienstverband.

De B in de formule
Omdat er in de praktijk kennelijk nogal eens discussie bestond over wat onder de beloning van de werknemer in kwestie zou moeten vallen, is het uitgangspunt in de kantonrechtersformule dat uit eenvoudoverwegingen alleen het maandsalaris zonder aanvullende emolumenten wordt meegenomen in de factor B (het 'kale' salaris met vakantiegeld en dertiende maand). Het kan voorkomen dat een groot deel van de arbeidsbeloning uit keuze-elementen bestaat of gerelateerd is aan een bepaald prestatieniveau (bijvoorbeeld een provisie- of tantièmeregeling). In dat geval kan van bovengenoemde hoofdregel worden afgeweken door die emolumenten toch mee te tellen.

De C in de formule
De uitkomst van de vermenigvuldiging van de factor A x B kan onredelijk zijn in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval. Gedacht kan hierbij worden aan verwijtbaarheid voor het ontslag aan de kant van de werknemer enerzijds (bijvoorbeeld onbehoorlijk gedrag of slecht functioneren op de werkvloer) dan wel aan de kant van de werkgever anderzijds (bijvoorbeeld het niet aan kunnen tonen van slecht functioneren of schuld aan ziekte). Bij een reguliere ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder deze bijzondere omstandigheden is de factor C 1. Is er sprake van verwijtbaarheid aan de kant van de werknemer dan is de factor C kleiner dan 1. De factor C kan dan zelfs 0 zijn. Er zal in dat geval derhalve geen vergoeding bij het ontslag gegeven worden. Ligt de verwijtbaarheid aan de kant van de werkgever dan kan de factor C groter dan 1 zijn (meestal tussen de 1 en de 2). Ook wordt de factor C nog wel eens opgehoogd indien het gaat om relatief korte dienstverbanden, waarbij de uitkomst van de vermenigvuldiging van de factoren A x B wel erg laag zou uitkomen.

Pensioenschade
Bij het tussentijds beëindigen van de dienstbetrekking zal in veel gevallen sprake zijn van pensioenschade. Bij de bepaling van de te verwachten pensioenschade zal vaak mede rekening worden gehouden met de kansen die een werknemer heeft om een nieuwe dienstbetrekking aan te gaan. Berekening van de pensioenschade kan gebeuren op basis van hetgeen opgebouwd had kunnen worden indien het dienstverband tot aan de pensioendatum had voortbestaan.

In de kantonrechtersformule wordt geen rekening gehouden met pensioenschade. Eventueel zou de pensioenschade wel opgenomen kunnen worden in de beloningsfactor (de B). Het verdient in ieder geval aanbeveling om bij de onderhandelingen over de hoogte van de ontslagvergoeding dan wel in de procedure voor de kantonrechter expliciet aandacht hieraan te besteden dan wel aandacht hiervoor te vragen.

Sociale verzekeringen
Wordt de arbeidsovereenkomst verbroken en heeft de ex-werknemer niet direct een nieuwe dienstbetrekking dan ontvangt deze een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Een gouden handdruk komt in beginsel niet in mindering op de uitkering krachtens deze wet. Wel zal men er op attent moeten zijn dat de uitvoeringsinstellingen van de Werkeloosheidswet er steeds van uit gaan dat gedurende de wettelijke of contractueel afgesproken opzegtermijn het loon wordt doorbetaald. Wordt de arbeidsovereenkomst eerder dan voor het einde van die opzegtermijn beëindigd dan nemen de uitvoeringsinstellingen het standpunt in dat een gedeelte van de gouden handdruk een doorbetaling is van het loon over de (resterende) opzegtermijn. Gedurende deze periode wordt dan geen WW-uitkering toegekend. Daarna bestaat er wel recht op WW, uiteraard voorzover er is voldaan aan de voorwaarden.

Immateriële schadevergoeding
In beginsel zijn alle schadevergoedingen die in het kader van een dienstbetrekking door de werkgever aan de werknemer worden gegeven belast als loon uit dienstbetrekking. Slechts in uitzonderlijke situaties is dit niet het geval, bijvoorbeeld indien het gaat om een vergoeding voor een aantasting in eer en goede naam van de werknemer. De werkgever heeft dan een onrechtmatige daad begaan die eigenlijk niet meer zijn grond vindt in de arbeidsverhouding. Het psychische leed voor een werknemer verbonden aan een ontslag komt volgens de belastingrechtspraak niet voor vergoeding in aanmerking. Dit wordt inherent aan een ontslag geacht. De werknemer zelf zal aannemelijk moeten maken richting de belastingdienst dat er van een onbelaste immateriële schadevergoeding sprake is. Een verwijzing naar het vonnis van de kantonrechter of de bewoordingen van de ontbindingsovereenkomst is hierbij niet altijd voldoende. De belastingdienst of de belastingrechter kunnen hier namelijk van afwijken als zij zelf een andere mening zijn toegedaan.

Tenslotte
Om een vorm van een gouden handdruk te kiezen, welke mede in het licht van de Nederlandse sociale voorzieningen, de fiscale wetgeving en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene wordt bezien, is het inroepen van een deskundig advies ten zeerste aan te bevelen.

(bron NN)